God heeft zijn eigen zoon niet gespaard

Hieronder de tekst van de preek over Genesis 22, gehouden op zondag 20 maart 2016 in de Kandelaarkerk ter inleiding op de stille week. Deze tekst leent zich ook uitstekend voor het gesprek met onze moslimstadsgenoten omdat Ibrahim voor moslims laat zien wat het betekent om te geloven. Dat gesprek komt in deze preek niet (direct) aan de orde. Onderaan deze preek staat een verwijzing naar artikel waar dit gesprek wordt gevoerd. 

1         Absurd.
Begrijp je wat we net hebben gelezen?

Neem eens iemand in gedachten van wie je veel houdt. Echt heel veel; het meest van iedereen. Heb je hem/haar? Stel je voor dat je nu een stem hoort: breng …. (degene die je in gedachten hebt) om!

Wat zou je doen!?

Dat is de proef waar Abraham voor komt te staan.

Dit is absurd. Misschien zit je hier vanmorgen voor het eerst in de kerk en denk je bij jezelf: wélke God zegt zoiets? Dit is barbaars, middeleeuws. Zulke dingen doen religieuze fanatiekelingen in het Midden-Oosten. Maar net zo goed als je een christen en/of kerkganger bent: dit is een Bijbelgedeelte dat erin hakt.

Opvallend als je hier eens wat over studeert: dit gedeelte doet wat. Het trekt aan en het stoot af. Een paar voorbeelden.

  • De filosoof Kierkegaard schreef over dit gedeelte een heel boek, Vrees en beven, waarin hij de vraag stelt wat geloof eigenlijk betekent. Hebben wij geloof niet veel te veel verburgerlijkt als het om zulke ingrijpende dingen gaat?
  • Rembrandt schilderde het beslissende moment

    image

    (zie hier de afbeelding en toelichting op Wikipedia) waarop Abraham met het mes in handen klaar om toe te slaan – haast met verwilderde ogen – kijkt naar de engel die ingrijpt zodat Abraham het mes laat vallen.

  • De Duitse filosoof Kant zei over dit gedeelte dat bijbelse mythes kunnen aanzetten tot immoreel gedrag. Abraham had volgens hem moeten zeggen dat een stem die zoiets verderfelijks vraagt – alle universele, morele wetten brekend – onmogelijk de stem kan zijn van de waarachtige God. Het onderscheid dat Kant aanbrengt tussen waarachtige religie enerzijds en fundamentalisme en fanatisme heeft z’n sporen diep getrokken in onze cultuur. Je merkt dat in de afschuw die vandaag de dag heerst als het over ingrijpende (gewelds)teksten gaat (denk aan het filmpje op youtube waarin voorbijgangers wordt gevraagd hoe erg zij Koranteksten vinden terwijl het…. Bijbelteksten blijken te zijn). Genesis 22 zou niet hoog scoren.

Abraham is de vader van de gelovigen (Romeinen 4). Dat wil zeggen: bij hem zie je waar het op aankomt, wat geloven is. Komt het zo nauw, wordt het zo eng als het om geloof gaat? Waarin gaat hij ons hierin voor? Een kind verliezen is ondraaglijk maar dit gaat verder. Als wij zo’n stem zouden horen – in de nacht (Genesis 22:3) – zouden we dan niet wakker worden en zeggen: ‘ik had zo’n vreselijke droom…’? Of ‘de duivel heeft tegen me gezegd….’?

Toch is het zaak om te luisteren. Allereerst misschien hierom. Abraham heeft dit niet gelezen in een boek. Hij kreeg deze opdracht. Hij is de weg van deze proef tot het einde toe gegaan. Hij stond gereed om te gaan doen wat geen mens zou kunnen doen. Ook in deze onmogelijke weg. Misschien moeten we heel wat aan de kant zetten en overwinnen om te luisteren. Dat moet dan maar. Als Abraham werkelijk bereid was zijn eigen zoon niet te sparen, zouden wij het dan niet kunnen opbrengen om te luisteren naar wat God hier tegen ons zegt?

2         Álles (op)geven.
Als we luisteren valt het op hoe tergend deze proef is. Dat horen we in drie dingen. Allereerst in de opdracht

Abraham: neem

  • je zoon…
  • je enige…
  • … van wie je zoveel houdt!

Onvoorstelbaar.

Na jaren wachten, uitzien, geloven, was eindelijk de lach (dat is de naam Isaak)  doorgebroken in leven van Abraham en Sara. Het onmogelijke, want zij waren oud en Sara kon geen kinderen krijgen, was toen waar geworden. Zou voor de HEER iets te wonderlijk zijn (Genesis 18:14)?

Het was niet Ismaël door wie God zijn zegen (Genesis 12) wilde geven. Ismaël staat voor de manier waarop Abraham en Sara zelf de belofte van God willen waarmaken; Ismaël is later ook weggestuurd door Abraham (zie hoofdstukken 16 en 21 van Genesis). God wil zelf zijn belofte waarmaken; op zijn tijd, op zijn manier. Geloven lijkt in het leven van Abraham en Sara een beetje, een heel klein beetje, zien te gaan worden als ze hun zoon Isaak van God ontvangen. Tot dit moment. Abraham: neem je enige zoon van wie je houdt en offer hem.

LvdK 484 (‘Waarom moest ik uw stem verstaan’) zegt het scherp:

Gij maakt mij steeds meer vreemdeling,
ontvreemdt Ge mij dan, ding voor ding,
al ’t oude en vertrouwde?
O blinde schrik, –
mijn God , mag ik
niet eens mijzelf behouden?

Blinde schrik.

Ja. Was het maar waar wat de filosoof Kant zegt; het is juist Gód die spreekt. De God die Abraham uit Ur riep, hem een zoon beloofde en heeft gezegd: ‘dit is hem; door hem zal ik jou zegenen’ (Genesis 17:19, 21:12), die God roept Abraham opnieuw. Neem hem en offer hem.

Het volgende tergende zit in de plaats: Moria (waarschijnlijk bij Jeruzalem, drie dagreizen vanaf Berseba, ongeveer 75 km). Het offer mag geen opwelling zijn. Niet even alle verstand aan de kant en snel toeslaan. Drie dagen om te denken, te piekeren, twijfelen, bidden om het herroepen van dit woord. En anders: na een of twee dagen besluiten dat dit echt niet kan en terug gaan naar de plek waar je was.

Tot slot zit het tergende hierin: in vers 6 wordt stap voor stap de gang naar de offerplaats beschreven.

  • Zo gingen zij samen verder (6).
  • ‘Vader’ – zegt Isaak – ‘hier is hout, vuur, mes… maar: waar is het lam?’
  • Wat een pijnlijke vraag! Het moet Abraham door merg en been zijn gegaan.
  • ‘God zal zichzelf van een offerlam voorzien, mijn jongen’.
  • Zo gingen ze samen verder (8).

En als ze bij de plek aankomen waar het moet gaan gebeuren, wordt tot in detail uitgemeten: het bouwen van een altaar, het schikken van het hout, het binden van Isaak, dat hij op het altaar wordt gelegd en dat Abraham het mes in zijn handen legt en wil gaan offeren, slachten.

Je kunt dit punt samenvatten in het soort offer dat gevraagd wordt. Van Abraham wordt een brandoffer gevraagd. Bij zo’n offer gaat, in tegenstelling tot andere offers, álles eraan. Zo gaat Abraham in álles, tot in detail, de weg van gehoorzaamheid. Alles wordt aan God voorgelegd. Dit is méér dan een offer. Abrahams leven, zijn afkomst en toekomst, ligt hier als een brandoffer gereed voor God. Abraham staat op het punt zijn eigen levensweg af te snijden.

Gemeente: laten we even pas op de plaats maken.

Ken jij deze God? Nee; God vraagt niet het lijfelijke offer van je zoon, dochter of wie dan ook maar (ik kom er straks op terug). En het is goed om te bedenken dat je deze tekst ook in díe tijd moet lezen, een tijd waarin kinderoffers bekend waren (Abraham zegt niet: wat vraagt u nú?; hij kende de gewoonte uit die tijd).

Maar christenen kunnen, daartoe geholpen/aangespoord door niet-gelovigen, wel makkelijk denken: ach, dit is ‘de God van het Óude Testament’ (om vervolgens te denken: van díe God hebben wij gelukkig niet zoveel last). Nee. Die God bestaat niet. God is één. We kennen de enige God als Vader, Zoon en heilige Geest.

Lees zo eens Romeinen 12: Met een beroep op God barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u (12:1)!

Voel je hoe we hier op het spoor van de vader van het geloof (Romeinen 4) worden gezet?

Dé zoon van Abraham, Jezus, heeft het later zo gezegd: wie mij wil volgen moet opgeven. Opgeven: je vader, moeder, je kind. Je eigen leven. Neem  je kruis op je en volg mij (Lucas 14:25-27). Abraham moest het al leren. Met Abraham volgen wij de grondlegger en voltooier van ons geloof, Christus (Hebreeën 11 en 12).

Hoe is jouw leven? Waar is jouw hart vol van? Wie of wat dien jij? Daar gaat het God om. Bij Abraham. Bij jou en mij.

3         Geloofsvertrouwen.
Als je denkt dat je alles hebt gehad met de absurde opdracht, lees je maar half. Even verbluffend als vers 2 is vers 3. Abraham gaat. HIJ GING!

We weten eigenlijk maar bar weinig van Abrahams leven. Het begint met roeping om alles los te laten en te gaan waarheen God wijst (Genesis 12). En dan staat er: en Abraham ging. Dit (Genesis 22) is bijna het laatste wat we van Abraham horen voordat hij sterft. Maar het is gelijk aan begin: God roept – Abraham gaat.

Bij het begin ging het om loslaten van zijn afkomst (Genesis 12), hier gaat het om het loslaten van zijn toekomst. Toen was het ‘naar land dat Ik wijs’ (niet-concreet), nu is het ‘naar de plek Ik wijs’ (niet-concreet).

We weten niet precies wat er in Abraham omging. Hij zal zijn vragen hebben gehad, angst of diepe twijfel. Het staat er niet – maar welke vader zou dat niet hebben gehad? Iets anders staat centraal: Abraham heeft helemaal de houding van iemand die een brandoffer gaat brengen. Hij staat vroeg op (geen tijd rekken of herhaling van de opdracht vragen), zadelde de ezel, nam knechten en zijn zoon, hakte hout en ging (3). Als hij op de plek aankomt die God wijst, gaat het net zo: hij kwam aan, ging samen met zijn zoon, bouwde altaar, bond zijn zoon en trok zijn mes.

Wat was er in Abraham? Wat had hij van God meegemaakt dat hij dit deed? Is dit nu blind, stom (verstand-aan-de-kant-)geloof dat doet wat God zegt ‘maakt niet uit wat’? Kadavergeloof?

Nee.

Luister naar wat Abraham zegt:

  • Ikzelf ga met de jongen verder om daarginds neer te knielen. Daarna komen we bij jullie terug (5). We (komen terug)? Zou Abraham niet alleen, als gebroken man, terug komen strompelen? Wat zegt Abraham?
  • ‘Waar is het lam?’ vraag Isaak (7). ‘God zal zichzelf van een offerlam voorzien, mijn zoon’. Wat weet Abraham? Wat leeft er in Abraham?

Abraham is niet gek. Hij heeft gezien dat God uit ‘dode’ mensen (te oud, geen kinderen kunnen krijgen) leven geeft (Romeinen 4:17). Hij weet dat het om deze zoon, Isaak, gaat en dat Gods belofte altijd concreet is. Ook met deze absurde opdracht heeft Abraham dat niet vergeten. De ongehoorde spanning in dit stuk is niet het offeren van Isaak maar dat Abraham twee woorden van God heeft die voor Abraham totaal met elkaar in tegenstelling zijn. En Abraham gáát: hij houdt deze woorden bij elkaar!

Hebreeën zegt het later zo: door het geloof kon Abraham Isaak als een offer opdragen en ‘hij zei bij zichzelf dat het voor God mogelijk moest zijn iemand uit de dood op te wekken’ – en uit de dood kreeg hij Isaak dan eigenlijk ook terug (11:17).

‘Daarna komen wij bij jullie terug’.
Hoe?
Geen idee.
Maar wij komen terug.

Hier staat niet een blinde, verstandeloze gelovige. Hier staat een mens die – zeer bewust van wie God is – gaat. Er zit iets in van: als dit de opdracht is, dan wil ik wel gaan – en ik zal gaan – maar is het niet mijn probleem, maar het uwe. Zou voor God iets onmogelijk zijn (Genesis 18:14)?

Dit is zo mooi. Abraham gaat ons zo voor in alles van ons geloof, iedere dag weer opnieuw. Het heeft iets van de uitroep die we zelf maar al te goed kennen toen die vader van de zieke jongen tegen Jezus zei: ‘Heer, ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp (Marcus 9:24). Dat is twee in een! Je geloof en je ongeloof. Dat breng je bij de Heer. Hij maakt heel (= heilig).

Dit is: Heer, uw vraagt trouw te zijn in mijn relatie, maar ik heb zoveel onttrouw in mij. Help me trouw te zijn. Dat is twee in een. Zo geef je je aan God.
Dit is: Heer, uw wilt dat mijn leven zo is dat U er plezier aan hebt, maar er zit zoveel in mij wat u alleen maar teleurstelt en kwetst: geef mij uw Geest! Zo wijd je je toe en zal God je helpen.
Dit is: ik wil graag belijdenis doen, maar…. ik heb mijn twijfels ik ben over lang niet alles uit. Geef mij volharding en overtuiging. Dat is twee in een. Zo gaat de Geest zelf in jou aan het werk.

Een voorbeeld om de weg van het geloof te verduidelijken. Wij waren eens op vakantie in Zuid-Frankrijk. We kwamen op een hoge berg. Ergens op de rand van die berg stond een houten schans, schuin omhoog. We gingen eens kijken. Wat is dat? Achter die schans was niks te zien. Ja; de diepte. Toen kwam er een groep mensen aan. Ze renden op die houten schans, op de diepte af met hun deltavlieger boven zich. Doodeng. En pas op het moment dat ze sprongen kwam de wind eronder en – daar gingen ze. Ik zal niet vergeten dat een meisje dat meeging in een duo-sprong (daar moest je nog voor betalen ook!) het uitgilde op moment van de jump.

Maar dat is geloof.

Geloven is niet: steeds meer je best doen om zo te leven zoals God het wil. Of overal uit zijn voordat jij de knoop doorhakt. Alles pais en vree voordat je mee wilt doen in de gemeente. Het is vaak andersom: steeds meer zien hoe Gods woorden op onze onmogelijkheden stuiten.

En dan? Ja dan? Je afkeren óf je toekeren naar God.

Wat kies je? Spring je; vertrouw je God? Of is het jouw heiligheid, jouw bestdoen, jouw falen, andermans tekort wat je aandacht het meest voor zich opeist? Hoe kun je weten of God je in Christus zal opvangen, als je de sprong niet waagt?

4         Weten.
Als Abraham in de offerhouding klaar staat om zijn zoon te doden, grijpt God in. ‘Abraham, Abraham’. Twee keer. Dit mag absoluut niet doorgaan. ‘Raak hem niet aan.’ Uit het Oude Testament weten we hoe gruwelijk God mensoffers vindt (Leviticus 18:21). Israel offert later geen eerste zonen zoals de hen omliggende volken doen (hoewel Ezechiël 20:25 en 26!), maar moet voor hen in de plaats een offer brengen. God wil niet het leven van Isaak, de offergave (Psalm 40 en 50). Wat wil God dan wel?

God wil weten. ‘Nu weet ik dat je ontzag voor God hebt: je mij je zoon, je enige niet willen onthouden.’

Heb je dat gehoord? Nu weet ik… – zegt God. Gelovigen zeggen wel eens: God weet toch alles? Hij ziet toch alles? Ja – dat is waar. Toch kun je op die manier totaal verkeerd van God denken en Hem houden voor Iemand die Hij helemaal niet is. Alsof God het alziend oog is – die feitelijk weet wat er gebeurt en al lang weet hoe de dingen gaan. Zo is God niet; dat is niet de God van Abraham. God riep Abraham, zag hem gaan, verloor hem geen moment op het oog toen hij onderweg was en greep in op de derde dag. God is niet een fatum, een lot, een volgend en keurend oog, maar de levende God. Een die blij is met het vertrouwen dat zijn kinderen Hem geven. Wat denk je: zou het voor God niet net zo ‘spannend’ zijn geweest als voor Abraham: of Abraham zou gaan en zou blijven volhouden tot op dat allerlaatste moment?

‘Nu weet ik dat je ontzag hebt voor God’: God wil weten. Wat leeft er in je? God wil weten: als het moeilijk wordt in je leven; blijf je dan op Hem vertrouwen? Als je volop bezig bent met jezelf te ontwikkelen en je gaven te ontdekken, vriendschappen te sluiten: hoe leef je daarin met Gods aanwijzingen? Blijf je Hem daarin zoeken of komen andere dingen langzamerhand daarvoor in de plaats? God wil weten: waarom geloof jij? Wil je in de hemel komen? Geeft het je een gevoel van veiligheid? Ben je het zo gewend? En wat nou als God je vraagt alles los te laten en Hem te volgen? Wat dan?

God wil weten en daarom (be)proeft Hij Abraham. En wat hij uit Abrahams leven haalt is adembenemend: ‘je hebt mij je zoon, je enige niet willen onthouden.’

Hoor je wat God zegt!?

Onmiddellijk denken we aan dit woord dat eeuwen later is opgeschreven door Paulus toen hij zei: ‘God heeft zijn eigen zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven’ (Romeinen 8:32). Dat heilige feest vieren wij deze week; de kern van het christelijk geloof (1 Korintiërs 15). Zo dichtbij het vuur van Gods liefde leefde Abraham dat hij in dit offer al een vooruitbeelding van Gods grenzeloze liefde gaf. Ongehoord. Zo haalt God de eer voor Hem uit het leven van zijn kinderen.

Wat weet God van u/jou? Als God u/jou (be)proeft: wat proeft Hij dan? Of zeggen we bij onszelf: zo druk, geen tijd om dat na te gaan. Of: zal toch wel goed zijn? Kan me niet voorstellen dat God niet goed vindt. Kijk naar Abraham. Jouw leven is zijne niet. De vraag is: loop jij in dat spoor?

5         Het geheim.
Gemeente: Genesis 22 is adembenemend. Dit is zo’n tekst die eruit springt, uit z’n voegen barst. Er ligt een diep geheim in. Wat trekt nu zo? In eerste  instantie lijkt het de opdracht te zijn om de geliefde zoon te offeren. Maar dat is bij nadere blik toch maar de vraag. Gaat het dan om het vertrouwen van Abraham? Dat is zo prachtig mooi en sterk. En toch is er meer. Een geheim.

Dat geheim heeft te maken met een voor de hand liggende vraag: waarom, op moment suprême, grijpt God in? Als dit een ‘spel’ is van God dan is Hij wel heel ver gegaan. Dat kan niet waar wezen. Als het God ernst is (dat blijkt zo te zijn): waarom laat God het dan niet tot het einde doorlopen? Hij is toch en God die uit de dood kan opwekken (Hebreeën 11)? Waarom moet Abraham niet die allerlaatste stap zetten en zijn zoon daadwerkelijk van het leven beroven?

We zullen dus terug moeten naar het moment waarop God – door de engel – ingrijpt en wat daarop verder gebeurt. In de eerste plaats valt iets heel moois op: voor God is Abraham een volmaakte offeraar. Hij zegt niet: je hebt me je zoon bijna gegeven. Je hebt mij je zoon, je enige, niet onthouden (16)! Hebreeën 11 zegt dat Abraham Isaak door het geloof als offer kon opdragen. Het is geen half offer. Omdat je dit hebt gedaan.

Gemeente; dit is een bemoediging. Wij zeggen vaak: we doen wel zus/zo, maar voor God is het allemaal ook nog zondig en met zonde bevlekt. Ja. En toch: wie gaat op de weg van God, mag weten dat dat voor God totale vreugde is! Je hebt het gedaan. Je was trouw. Je zette je in. Je kwam. Je stond klaar.

Het tweede dat opvalt is dit. Er vindt een omwisseling plaats. Abraham wordt uitgeroepen. Hij gaat in gehoorzaamheid, hij bindt zijn zoon, hij pakt z’n mes.

Op dat moment neemt God het over. God neemt het heft in handen: ‘niet doen, raak hem niet aan’ (twee keer ‘niet’). En Abrahams ogen gaan (eindelijk?) open voor een ram dat daar vaststond.

‘Niet doen’ zegt God. En dat ‘niet’ betekent zoiets als: dit heeft geen zin. Inderdaad; had Abraham gestoken dan had God Isaak moeten opwekken. En dat was groot nieuws geweest: er komt iemand uit de dood terug. Breaking. Breaking. Maar dan? Abraham gelukkig, Isaak en Sara gelukkig. De kleitabletten uit die tijd zouden er vol van staan. Maar hoe geweldig was dat nieuws geweest voor al die andere mensen die aan de dood, ellende en verdriet niet ontkwamen? Is het goede nieuws dat God één mens, Isaak, uit de dood had kunnen opwekken?

‘Doe het niet’ betekent daarom ook meer. Jij, Abraham, moet/mag dit niet doen. ‘Niet doen’ maakt de ruimte vrij. Niet Abraham en niet deze zoon. God maakt ruimte voor zichzelf. Er komt een moment dat niet een gezin maar heel de wereld beseft hoe mis het is met de wereld waarin ouders hun kinderen kunnen verliezen. Er komt een moment waarop ieder doorkrijgt dat welk offer of inzet van onze kant dan ook maar niet toereikend is. In het offer van Abraham laat God voelen dat hij niet alleen om deze vader en zoon bewogen is voelen maar om alle schepselen. En God laat hier voelen dat Hij meer zoekt dan de toewijding van twee mensen of een gezin; God wil eer halen uit álle mensen en uit héél zijn schepping. Er wordt in het ‘doe (jij) het niet’ ruimte gemaakt voor een dood waardoor álle mensen kunnen leven.

Vrijdag vieren we wereld-Bevrijdingsdag. Goede Vrijdag. Dat is het breaking news dat door heel de wereld klinkt. Zo lief had God de wereld dat Hij zijn enige zoon gaf opdat een ieder die in hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leeft (Johannes 3:16). God zelf is in Jezus op het toneel verschenen. Op Moria klonk een stem: doe het niet. Op Golgota bleef het stil. Het werd alsmaar stiller. Geen (weer)houden meer (aan) op Golgota. Totale afgang en vernedering. Het meest ontredderende moment. Afgeslacht. Men stond erbij en keek ernaar. Zelfs nog ruimte voor een grapje: moet je hem zien. Jezus kwam in het (zonde)graf terecht. Deze Heer overwon de dood.

Zo zijn we verlost.
Op geen andere manier dan op Gods manier.
Breaking!
Breaking!

Geen andere naam dan de naam van Jezus.

Zie hier voor een artikel waarin Genesis 22 het vertrekpunt vormt voor het gesprek tussen christenen en moslims over de vraag wie God is.

Voorbeeldliturgie

Afkondigingen
Tekst en lied bij de laatste zondag van de veertigdagen

Votum
Groet
GKB 133: 1a, 2v, 3m 4en5a
Tien woorden
Psalm 50: 7 en 11 (offer God lof)
Gebed
Kindermoment: Jezus gekruisigd
‘Diep diep diep als de zee’ Opwekkingsbundel voor kids 68 / Op toonhoogte 396
Kinderen naar kinderclub
Lezing: Genesis 22:1-19 en Romeinen 8:28-32
LvdK 484: 1, 2, 3 en 4 (Waarom moet ik uw stem verstaan).
Verkondiging: God heeft zijn eigen zoon niet gespaard!
1. Absurd
2. Álles (op)geven
3. Geloofsvertrouwen
4. Weten
5. Het geheim
LB 481: 1a, 2v, 3m en 4a
Dankgebed en voorbede
Kinderen komen terug
Collecte
Opw. 638 (wie is als Hij, de leeuw maar ook het lam)
Zegen

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s