Op een nieuwe manier mens worden. Preek Johannes 3:1-21 (en 1:12 en 13)

Preek Advent 2014. In de serie over de Johannes-proloog.

Gemeente van het mensgeworden Woord

1         Dialoog of monoloog?
Je hebt soms dat mensen zeggen: zullen wij eens praten? Gaandeweg het gesprek kom je erachter: die ander wil eigenlijk niet praten, is niet geïnteresseerd in wie jij bent of in wat jij hebt in te brengen. Hij of zij wil zelf iets kwijt, heeft een eigen doel – en daarmee is het klaar. Het is geen echt gesprek. Rare jongens/meiden die zo doen. Daar blijf je liever bij uit de buurt.

Het gesprek tussen Nicodemus en Jezus lijkt in eerste instantie op zo’n eenzijdig ‘gesprek’. Het begint ermee dat Nicodemus naar Jezus toekomt. Het gesprek met hem aangaat. Maar het wordt helemaal geen gesprek. Nicodemus zoekt overduidelijk contact en stelt zijn vragen maar het draait uit op een monoloog van Jezus. Een ‘preek’ over de weg die de Mensenzoon moet gaan; over de liefde en het oordeel van God. Nicodemus komt in het geheel niet meer aan het woord. Niet meer in beeld. We horen pas weer van hem veel verder in het evangelie. Eerst verdedigt hij Jezus als men Jezus wil aanpakken (7:50). En na de dood van Jezus is hij erbij om Jezus een eervolle begrafenis te geven (19:39).

Apart. Zou Jezus vandaag een publiek figuur zijn, zou zijn personal coach direct hebben ingegrepen. Ongetwijfeld zou Jezus te horen hebben gekregen: volg a.j.b. een mediatraining. Want als je gehoor wil vinden bij mensen dat moet je allereerst uitstralen dat je bereid bent om te luísteren en te zeggen: ‘ik snap heel goed dat u…’, ‘ik ben het helemaal met u eens dat…’, enzovoort.

Maar Jezus neemt radicaal het heft in handen. Nicodemus start met te zeggen dat Jezus volgens hem een meester (rabbi) is die door God is gestuurd. Jezus zegt prompt: alleen als je nieuw wordt geboren kun je het Koninkrijk zien.

Als Nicodemus zich afvraagt wat dat dan wel betekent en hoe je opnieuw geboren moeten worden, krijgt hij zelfs een veeg uit de pan: hoe kan hij, geestelijk leider in Israël, zulke dingen níet weten? En Jezus wijst aan dat zijn weg de weg van verheerlijking is die dwars door Golgota loopt. En hij eindigt zijn monoloog met de oproep: je moet het licht opzoeken. Je leven moet aan het licht komen.

Gemeente, gasten: wat vind jij hiervan? Als jij opgroeide in een christelijk gezin: ken jij déze Jezus? Een die het heft in handen neemt. Jou de weg wijst. Als je niet christelijk bent opgevoed, interesse krijgt in het christelijk geloof: wat vind je dan van wat Jezus doet? Of als je hier zit en niet (langer) weet of je christen wilt zijn of wat dat betekent: wat doet het met je om Jezus aan te horen?

Gemeente, het is belangrijk om goed te zien. Want uit alle evangeliën weten we juist hoe betrokken, bewogen en tot het uiterste gericht op de ander Jezus is. En dat hij – zoals hier – dag én nacht zo leefde op aarde. Jezus was geen kantoorbaan-redder die er om 17.00u mee ophield, om dan alleen nog maar even op de app de meest belangrijke zaken in de gaten te houden. En hij turft niet hoe je geloofs- of twijfelleven erbij staat. En hij heeft eindeloos veel geduld met alle mensen om hem heen; ook als ze hem verwerpen of in de steek laten.

En dan toch ook zo zoals bij Nicodemus. Zo radicaal. Alleen zijn verhaal en blikrichting. In dat licht moet je leven staan – zegt Jezus. In mijn licht. Hoe zit dat?

2 Typisch voor Jezus…
Om dit gedeelte scherp te krijgen is het zaak om te zeggen: dit is nu typisch Jezus. Vooral Johannes portretteert Jezus zo. Niet dat Jezus in de andere evangeliën minder uit de verf komt. Of minder zichzelf is. Maar we hebben gezien hoe Johannes opent: in het begin was het Woord, het Woord was bij God, Gόd was het Woord (1:1).

Alles wat Jezus zegt en doet is een echo van dat begin. N: je hebt niet met ‘een leraar’ (door God gestuurd) te maken. Jezus is niet een inspirerend figuur of een wereldverbeteraar – zoals vandaag veel over hem wordt gesproken. Of iemand die goede dingen doet zodat wij op onze beurt ‘ook’ goede dingen….

Jezus pakt, om het zo te zeggen, zo’n visie op hem meteen aan. En leert dat gelijk en radicaal af. Nee, Nicodemus, je kunt niet zomaar iets van mij zeggen. Je hebt een nieuw leven, een nieuwe geboorte nodig om te kunnen zien wie ik ben.

Zo lezen we Joh.3:3. Het  is eigenlijk lastig te vertalen. Er staat: ‘opnieuw’ of ‘van boven’ moet je worden geboren. De BGT omzeilt het heel knap door te zeggen: ‘je moet op een nieuwe manier geboren worden’. Omdat Jezus later spreekt van de Geest (5 vv), de hemel (12 vv) en zijn verhoging (14 vv) ligt het het meest voor de hand om te zeggen dat Jezus bedoelt: je moet ‘van boven’, op een nieuwe manier, op Gods manier worden geboren.

Je voelt hoe Nicodemus ermee worstelt. En zijn worsteling is illustratief voor het hele evangelie van Johannes. Israel worstelt met Jezus. Tot op vandaag. Het volk zegt: maar wij zíjn toch al kinderen van Abraham en van God (8:33 en 41). Maar Jezus zegt: als God je Vader was, zou je van míj houden (8:42).

Is het voor christenen anders? Hoe vaak hoor je christenen niet zeggen: ben jij al opnieuw geboren (wedergeboren)? En daarmee wordt verwezen naar teksten als Johannes 3. En op zich is dat een goede vraag: niemand is vanzelf Gods kind. Maar het punt is nu juist dat bij Johannes 3 zo’n sterke nadruk ligt op wat God doet. En dat het erom gaat dat je Jézus accepteert als degene door wie je op een nieuwe manier geboren wordt.

Dat Jezus zegt dat deze nieuwe geboorte plaatsvindt door water en Geest is waarschijnlijk op te vatten als een verwijzing naar de doop van Johannes (hfst.1:19 vv). Er leefde onder het volk een sterke verwachting van de komst van God zelf. Johannes zei: bereid je voor. Wordt gedoopt. Neem afstand van je oude ik. Maak de weg recht; de Heer komt (1:23)! Iemand bij wie ik het waard ben zijn sandaalriem los te maken (1:27). En hij zal dopen met de Geest (1:33).

Nicodemus: geloof je dat? Dat de HEER zelf is gearriveerd in Jezus? Israel geloof je dat jouw Messias diegene is die aan het kruis hangt? Christen: geloof jij het? of zijn wij gewoon allemaal aardig (of niet) op pad. Hebben wij ‘ons’ geloof of gebrek daaraan?

Jezus laat geen ruimte. Wie kind van God wil zijn moet niet

  • een Israëliet
  • ruimdenkend mens
  • goede wereldburger
  • vrome moslim
  • geboren e/o belijdend christen zijn.

Die ruimte bakent Jezus af. Ík word omhooggeheven – zegt Jezus. Zo komt het goed. Vanaf dat hoge kruis. Zo komt de Geest van God over de wereld. Voor ieder die gelooft. Wie niet gelooft ís al veroordeeld (3:18). Ook dat moet je niet nemen als: ‘o, help; als mijn vriend(in) of ….. nu niet gelooft’. Nee. God is goed. Jezus leeft en werkt. Maar het draait dan ook alleen om hem. Blijf uitnodigen tot en bidden om dat licht. En vertrouw erop dat als God begint dat Hij het ook zal voltooien. In Jezus.

3…en zo herkenbaar in (niet-)religies.
Terug naar Jezus ‘monoloog’ bij Nicodemus. Is het te scherp wat Jezus zegt? Nicodemus had er niet van terug. Hij zwijgt in alle talen. Hij had kunnen weten van het totaal nieuwe Geest-werk dat God beloofd had te gaan doen (o.a. Jeremia 31). Past het niet in ons moderne levensklimaat zoals Jezus zich opstelt?

Gemeente: het kan zijn dat je er zelf niet uit bent of Jezus het is. Maar laten we niet doen alsof christenen iets vreemds, buitenissigs doen als ze in de lijn van Johannes 3 zeggen: alleen zo. Door de verhoogde Heer. Want kijk eens om je heen. Luister eens naar wat anderen zeggen en doen. Vier voorbeelden:

Het Hindoeïsme kent deze uitspraak van hun godheid. ‘Zelfs zij die vol geloof andere goden aanbidden, vereren mij ook, maar op de verkeerde manier’ (de god Krishna, in: Bhagavad Gita). Best excentriek, nietwaar?

De Islam zegt dat Abram (Paulus noemt hem de vader van alle gelovigen) al een Moslim was. En de Koran noemt Mohammed de zegel van de profeten (Soera 33:40). Zijn buitengewone positie wordt hoorbaar in de geloofsbelijdenis van de Islam; wie die belijdenis uitspreekt is moslim.

Zou een christen dan zeggen: oei, ik ‘zit’ met een Jezus die zich nogal excentriek opstelt? Eerder: je bevindt je in goed gezelschap als het gaat over excentriek. Kijk nog eens.

Ons land kent redelijk wat Iets-isten; mensen die geloven dat er mogelijk of waarschijnlijk meer is dan wij kunnen zien. Er zal toch wel iets zijn…. Vraag je zo’n iemand of dat ‘iets’ ook íemand zou kunnen zijn. Tja. Dat is zomaar een stap te ver. Ik hoorde zelfs eens dat iemand die dat aan een iets-ist vroeg, merkte dat dat het einde van het gesprek was. Ook een ietsist heeft zo zijn of haar eigen grenzen. Een basis die je niet zomaar opgeeft. En dat is prima. Daar gaat het me nu niet om. Maar de idee dat alleen een christen excentriek is, is niet houdbaar.

Nog een voorbeeld. Een veel gehoorde uitspraak is: uiteindelijk zijn alle godsdiensten gelijk. Het gaat me nu even niet om of dat zo is of niet (ik geloof van niet) maar om het soort uitspraak: dat is zeer omlijnd, dogmatisch. Het lijkt heel open maar is buitengewoon stellig, eenduidig.

Kortom: íeder (geloof) kent zo eigen gronden, bases waarachter je niet teruggaat. Geloofsstandpunten die ten grondslag liggen aan al het andere. Daarin is het christelijk geloof niet anders. Het helpt in het gesprek met een ander dan ook niet om eerst of vooral te relativeren. Veel beter voor een goed gesprek is te zeggen wie of wat de basis van je geloof is.

Wat Jezus steeds doet, is zeggen: ik ben het. Nicodemus: houd op met leuteren over de vraag of ik een meester/rabbi ben. Wie mij gelooft, heeft eeuwig leven en wie mij niet gelooft is al veroordeeld (3: 16 en 18). En daarin, daar heb je wel gelijk in, claimt het christendom wel iets dat ongehoord is. Hij die God zelf is (Johannes 1:1) zegt: ik moet verhoogd worden. Zo blijkt de liefde van God. Ieder mens moet in mijn licht komen te staan. Zo is God zelf gaan stralen in deze wereld. Zo vieren we Kerst: het Woord dat God is, is mens geworden en heeft bij ons gewoond (1:14). Dit hele gesprek met Nicodemus is een uitwerking van het begin, ded proloog van Johannes. Het Woord dat God is, kwam naar de wereld. Maar de wereld kende hem niet. Ook het zijne (1:11 ‘wat van hem was’) kende hem niet. De wereld en Israël (Nicodemus) (h)erkende Jezus niet. Maar…wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloofde, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden; zij zijn….uit God geboren (1: 12 en 13).

Zo krijgen we nog beter zicht op dit bijzondere gesprek tussen Jezus en Nicodemus. Het lijkt een eenzijdige preek van Jezus, een monoloog. Alsof Jezus niet uit is op de ander. Alleen al uit het leven van Nicodemus zelf blijkt dat Nicodemus het zo niet opvatte; hij raakt werkelijke gefascineerd door Jezus. Maar luister je beter naar Jezus, waarschijnlijk moet je daar als westers mens eerst heel wat voor opzij zetten, dan zie je dat Jezus zich juist helemaal geeft en daarin de dialoog zoekt. Hij is in alles gericht op het hart van deze gelovige en geleerde mens. Jezus bereikt hem ook.

4         Op een nieuwe manier geboren.
Gemeente: wat zie jij in deze gebeurtenis? Herken jij jezelf in Nicodemus? Iemand die veel vragen heeft. Herken je je ook hierin: dat hij met die vragen wel naar Jezus toe gaat? Of zit daar juist je pijn, je moeite?

Of stellen wij onszelf snel deze basic-vraag: geloof ik/jij wel? Ben ik/jij wel ‘wedergeboren’? Het is een vraag die je soms ineens kan overvallen.

Gemeente: Jezus presenteert zich zo scherp. Buitengewoon aantrekkelijk voor ieder die hem kent en eert. Maar misschien wel afstotend voor wie er (nog) niet (helemaal) uit is. Helpt het dan dat Jezus zich zo uniek opstelt? Kan het echt niet een beetje anders? Wij gaan vaak heel anders met dingen om als dat Jezus dat doet. Komt het kabinet er deze week niet uit bij de zorgwet dan wordt er net zo lang gepraat en geschoven dat het wél lukt. Zo doen wij dat. Zo bereiken wij ons doel. Zit iets wat jij zelf deed je eigenlijk niet lekker dan kun je dat gevoel kwijt, als je dat wilt, door er verder geen aandacht aan te besteden. Zo kun je het kwijtraken.

In Jezus laat God voelen: er is geen andere weg dan dat Jezus omhooggeheven wordt. Maar blijf goed kijken. Ook naar dit verhaal.

Nicodemus verdwijnt uit het zicht. We horen hem na zijn vragen niet meer. maar blijkbaar liet het hem niet los. Liet Jezus hem niet los. Nicodemus komt later voor Jezus op. Wil hem de laatste eer bewijzen. Bijzonder. Want je zou zeggen: toen was het te laat. Jezus was al dood. Ja. Maar juist daarmee is het optreden van Nicodemus een teken van hoop. Deze Jezus; daar wil ik voor gaan. Ook als hij sterft.

Gemeente: hoe vaak merk je dat niet? Het evangelie van Jezus trekt. Het ís en blíjft schitterend. Hoe vaak zeggen mensen dat niet? Bijvoorbeeld op een begrafenis: ik wilde dat ik dit kon geloven? De hoop van leven dat meer is dan hier en nu. Waar zit dat in? Jezus zegt: ik ben de opstanding en het leven (Joh.11). Hoe vaak merk je het niet: mensen die afscheid namen van het geloof zijn toch vaak nog (ergens) geïnteresseerd. Of houden ergens nog een kiertje open. Waar zit dat in? Ik denk: niet alleen in het (on)geloof van mensen. Jezus is eindeloos trouw. Hij blijft roepen. Je herkent het zelf misschien ook. Juist als je flink bent gaan twijfelen.

Gemeente: hierin geeft God ons een plek. Juist omdat Jezus zo uniek is, zijn er duizend wegen om hem uit te venten in de stad. Om Gods trouw te weerspiegelen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s