De gemeente van Jezus als vluchtplaats

Preek over Jozua 20; het aanwijzen van de zogenaamde vluchtsteden. Je kon erheen vluchten als je per ongeluk iemand had gedood. Welke goed nieuws klinkt daarin? Voorbeeldliturgie; zie onderaan de preek. Gehouden in de Kandelaarkerk, Dordt, 30 april 2017.

1 Evangelie van de vluchtsteden.
Als je verstoppertje doet, heb je 1 plek waar je veilig bent. Niet op je verstopplek. Want als je daar gezien wordt, ben je erbij. Je bent veilig/vrij als je bij de buut komt. Buut vrij. En als je de laatste bent: buut vrij voor de hele pot. Dan is iedereen vrij. Dus zodra het kan: ren naar de buut!

Dat is bij verstoppertje. Wij zoeken in ons leven, denk ik, allemaal zulke ‘vrijplaatsen’. Een plek waar je vrij kunt spreken (zonder oordeel). Dat is heel prettig, zeker als je wat op je hart hebt. Of je hebt een bepaalde plek waar je helemaal tot rust komt. Het kan zo zijn dat bepaalde mensen je een heel vertrouwd gevoel geven. Maar soms vind je dit soort plaatsen of mensen niet. Zeker in bepaalde crisissituaties kun je gevoel hebben: waar moet ik heen? Waar kun je terecht met onzekerheid, je verdriet, je woede vanwege onrecht dat je aangedaan is?

Als het volk Israël in Kanaän komt en heel wat gebieden veroverd heeft, moet Jozua een vrijsteden/vluchtsteden aanwijzen. We lazen dat in Jozua 20. Vluchtsteden zijn plaatsen waar je veilig bent. Veilig voor die mensen die per ongeluk iemand anders hebben gedood. Die kunnen daar naartoe rennen. Hier zie je de steden liggen. Verderop in preek zullen we ontdekken wat God voorhad met die steden.

Eerst terug naar Jozua 20. Zie jij wat het goede nieuws daarvan is? Als je per ongeluk iemand doodt, is het dan niet logisch dat je geen straf krijgt? Is dit nu zo bijzonder? Word(t) u/jij blij van dit stukje uit de Bijbel?

Wij horen in dit stukje toch evangelie. We lezen geen geschiedenisboek als we Jozua lezen maar horen het goede nieuws van Jezus Christus. Hoe dan?

Misschien door eerst de tijd van toen te laten staan. God had, in aansluiting bij en als rem op de gewoonte uit die tijd, straffen ingesteld voor overtredingen. Oog voor oog, tand voor tand, leven voor leven. Wij, westerse mensen, zeggen dan: wat hard, onrechtvaardig en onbeschaafd. Zo was die tijd. Zo ging God toen ook met zijn volk om. Later hebben gelovigen daarvan wel eens gezegd: die tijd was de kindertijd van Gods volk. God handelde heel duidelijk, fysiek. Maar als je leest van de vluchtsteden merk je dat God de geldende regel (oog om oog) niet zonder meer – als een ijzeren wet – doorvoert. God stelt er een grens aan die duidelijk maakt dat het even goed gaat de bedoeling daarachter: de bescherming van het leven. Als er geen opzet, geen haat (vers 5) in spel is, moet er voor degene die doodslaat een plek zijn waar hij veilig is. Hij deed het niet expres.

God regels houden zijn volk bij de (goede) les, maar God stelt ook een grens aan die regels. Het is opvallend dat God hier belang aan hecht. Al vier keer eerder (o.a. Numeri 35, Deuteronomium 19) sprak God – tegenover Mozes – over deze plekken. Het zit God blijkbaar hoog. Hier, in Jozua, worden ze ook ingesteld. Daar beginnen wij het evangelie te horen.

In alle oorlog en geweld waarvan Jozua (en het Oude Testament) spreekt, is er hier even goed onderscheid tussen opzettelijk en onopzettelijk. Bij zoveel bloed dat er vloeit (landinname waarover het boek Jozua gaat), gaat het hier ook over intenties. ‘Hij heeft (degene die hij doodde) nooit gehaat’. Voor/bij God telt het hele leven.

Gemeente: wat is dit mooi. God bewijst hierin echt Schepper van ons leven te zijn. Hij spreekt over heel ons leven: de uiterste daad (dat je iemand dood), maar net zo goed: wat is je motief, wat is je hart, is er liefde of haat?

Als Jezus later op aarde komt, Gods zoon die voor ons mens is geworden, bewijst hij een te zijn met deze Schepper. Hij is niet alleen de Heer die zegt: je mag niet doodslaan. Maar ook: wie zijn broeder/zuster haat: die slaat dood (Matteüs 5). Net zoals God in Oude Testament al het hele leven beziet en aanspreekt, zo zet de zoon heel ons leven in zijn stralende licht. God zoekt en geeft de totale bevrijding van ons leven. In Jezus eindeloos verder: heb je vijand lief, bid voor wie je vervolgt.

In de tweede plaats ontdekken we zo het evangelie van Jozua 20: wij leven toe naar de ontmoeting met ‘Jozua II’; de wederkomst van Jezus. Niet alleen spreekt de Bijbel dan van een oordeel over heel de wereld. Over rampen en ellende die aan zijn komst vooraf gaan (zoals bij ‘Jozua I’ geval is). Jezus komt als rechter. Opvallend is dat in het kader van die (jongste) dag vaak gesproken wordt over en blijkt van datgene wat hier bij ‘Jozua I’ al aan de orde is: dat God recht doet, tot aan de intentie aan toe. En dan nog veel scherper dan het in Jozua 20 gebeurt. Opvallend vaak gaat het bij het komende oordeel van de Heer over ‘wat verborgen is’: dát zal aan het licht komen (Romeinen 2:16, 1 Korintiërs 4:5, 1 Timoteüs 5:25 en Hebreeën 4:13).

Dan denken wij misschien gelijk: help, wat komt er van mij aan licht (kwaad)! Dat kan. Dat zal. Belijd daarom vandaag al je tekorten. Maar het gaat net zo goed over goede dingen. Denk aan de gelijkenis van de schapen en de bokken (Matteüs 25). Zowel de schapen als de bokken zeggen: Heer, hebben wij dat gedaan? Ze zijn zich niet van hun kwaad en ook niet van hun goed voor de Heer bewust. Christus brengt het aan het licht. Een christen wil vandaag al in dat licht leven, zich (laten) toetsen.

Zo horen we hier in dit stukje al van onze Heer die nu al met zijn Woord bezig is om onderscheid aan te brengen in ons leven (Hebreeën 4), ons niet alleen van buiten, maar door zijn Geest ook innerlijk vernieuwt.

2. Leve het leven!
We moeten een spade dieper steken. Wat is hier nu precies aan de hand? Als God de onopzettelijke doodslager wilde behoeden voor volksgericht, dan had Hij tocht net zo goed (beter!) aan de andere kant kunnen beginnen? De kant van de ‘bloedwreker’. Wij kennen een deel van dit woord goed van de geschiedenis van Boaz en Ruth: Boaz was de goël, losser. Iemand die opkomt voor de rechten van een overledene. In het geval van Jozua 20: opkomen voor het bloed van de overledene. Als God nu had gezegd: dimmen met jullie emoties! Houd jullie opvliegende (oosterse) karakter in toom. Eerst maar rechtspreken, dan zullen we nog wel eens zien…Was dat niet veel makkelijker geweest?

Nee. Er is een mens omgekomen. Bloed heeft gevloeid. Leven door God gemaakt is gestorven. RENNEN moet diegene die dat heeft gedaan. Er is een buut/vrijplaats. Ja. Maar – ervan uitgegaan dat je niet expres had gedaan –

a/ het is alleen die stad. Je kunt daar ook niet gelijk uit (pas bij de dood hogepriester). Dat is ingrijpend. Kun je je beroep nog uitoefenen dat je had? Je verliest voor lange(re) tijd je eigen plek, omgeving, familie en vrienden.
b/ kwam je de stad uit, en trof de goël je daar: dan mocht die je alsnog doden (zelfs als je geen kwaad motief had bij het doden)!

Beter dan ‘vrijsteden’ (SV), ‘vrijplaatsen’ (NBV) kun je daarom met andere vertalingen spreken van ‘vluchtplaatsen’ of ‘asielsteden’. Er zit zelfs iets in de naam van zo’n plek dat duidt op een beperking/handicap. En dat kun je je voorstellen. Stel je voor dat jij van de een op de andere dag zo naar een voor jou onbekende stad/dorp zou moeten vluchten en daar voor onbepaalde tijd moet verblijven. Je woont bijvoorbeeld al jaren in Dordt of Papendrecht of je studeert in Rotterdam en je moet du moment voor onbepaalde tijd in Woerden gaan wonen. En je kunt daar misschien nooit meer weg. Hoe ingrijpend. Je bent vrij. Maar toch beperkt vrij. Je blijft in leven. Daarmee is het gezegd.

Jozua 20 plaats ons voor een dilemma. Een dilemma dat we allemaal kennen en dat te maken heeft met recht en daarbij horende (gevoelens van) wraak. Er is een leven gedood. Dat moet rechtgezet worden. Dat gevoel kennen wij allemaal. Wat doe je als jou onrecht wordt aangedaan: gevoel van wraak komt op. Iemand scheld je uit: je wordt heel kwaad. Iemand licht je op: woest ben je! Sommige culturen kennen vandaag nog steeds eerwraak. Ook in Nederland komt het soms voor dat eerwraak leidt tot het doden in familiekring. Dat kan heel dichtbij komen. Dat hoort niet bij onze westerse cultuur, maar het gevoel van wraak (willen nemen) kennen we allemaal. Wie de film Dogville (2003, Lars von Trier) heeft gezien, vindt het aan het eind maar al terecht hoe het dorp loon naar werk ontvangt. Het is zo’n knappe film omdat je achteraf denkt: hoe heeft die film me zo kwaad kunnen krijgen? Je wordt meegesleept in het gevoel dat onrecht rechtgezet moet worden. Je hart klopt in je keel.

Kijk, dat spanningsveld is hier aan de orde. Jozua 20 gaat over de vraag: hoe komt het voor iedereen goed? Je kunt zeggen: mooi en logisch dat plek is voor die ‘perongelukdoodslager’. Maar de familie van de overledene dan? Zij verliezen een leven, hun geliefde zoon of dochter, vader of moeder! Wat een ramp voor hen. Hoe moeten zij verder?

Heel mooi wordt dit dilemma omschreven in eerdere wetten die o.a. over de vluchtsteden handelen. Die hoofdstukken eindigen met: bloed ontwijdt het land, vergoten bloed roept om vergoten bloed (Numeri 35). Maar ook: let erop dat je geen onschuldig bloed laat vloeien, anders laad je schuld op je (Deuteronomium 19). Die twee kanten. Ze horen bij elkaar.

Als we kijken naar Gods hart achter deze vrijsteden/asielsteden, dan herkennen we Hem gelijk. Als wij al wraakgevoelens kunnen krijgen bij een scheldwoord: zou God dan geen recht willen laten gelden als een mens gedood wordt (al is het 100x per ongeluk). Tegelijk: God die de harten kent; zou Hij het laten gebeuren dat iemand die er echt niks aan kan doen, zijn leven zou verliezen, om dat ongeluk?

Hoe kan het nu echt goed komen? Hoe komt het goed met wraakgevoelens, waar vind je een plek om naartoe te vluchten, waar ben je veilig, wie doet werkelijk recht; voor iedereen? Ken je zo’n plek? Zou niet fantastisch zijn die in je directe omgeving te hebben zodat je niet eerst een eind hoeft te lopen of andere moeite te doen? Jozua ligt een tipje van de sluier van Gods geheim op:

3       De dood van de hogepriester.
Bij de dood van de hogepriester is het leven in de vluchtstad voorbij. Je kunt gaan. Waarom dán? Het lijkt willekeurig. Het is niet bekend waarom daar de grens wordt getrokken. Een zegt: het is verbonden aan feit dat asielsteden Levietensteden zijn. Anderen zeggen dat het te maken heeft met amnestie, gemarkeerd door sterven van de hogepriester. Net zoals presidenten vlak voor hun vertrek gratie verlenen aan deze en gene. Het staat er niet in Jozua 20.

Dit staat er: als de hogepriester sterft, dan ben je vrij om te gaan. Dan kan de bloedwreker je niets meer doen. Je bent vrij om te gaan. Dat kan duren: een dag. Tien jaar. Levenslang! Kun je het je voorstellen: dat die mensen in die stad het nieuws goed in de gaten hielden. Even kijken op nos.kanaän;  leeft de hogepriester nog? Ja…mmm (jammer). Leeft ‘ie nog…: nee. Vrij!

Gemeente: hoor je het evangelie? Je bent vrij…als de hogepriester sterft! De kerk leeft van het vieren van de dood van onze hogepriester (Hebreeën 7). Heilig avondmaal. Samen met heilige doop het feest van de kerk.

Zo lezen we Jozua 20. God heeft totale amnestie afgekondigd en roept vandaag om het met Hem in orde te maken. Dé hogepriester is gestorven. We zijn vrij! In hem, Christus, worden alle vrijsteden maar ook alle wraak, bloed- eerwraak en rechtsherstel vervuld. Hij die voor ons mens werd, heeft voor ons geleden.

Toen, in het Oude Testament, had God al oog voor binnen- en buitenkant van de mens en zijn daden. Daar voel je al dat God en recht doet aan het onopzettelijke (maar wel verkeerde) en het rechtsherstel waar een schuldeloos slachtoffer om vraagt.

God is de goël (losser) geworden van al het leven dat onschuldig omkwam: van Abel, tot aan de laatste profeet. Van Abel tot aan het laatste kind dat zonder dat hij er iets aan kon doen aids van z’n moeder erfde en het leven liet (denk aan Wereldaidsdag). God is ook de goël van het bloed van de Egyptische broeders en zusters die omkwamen bij de recente aanslagen. Zou God dat niet zien?

Hoe ver God is gegaan, kun je heel mooi zien. De vluchtsteden lagen al mooi verspreid door het land Kanaän (zie afbeelding hierboven). Maar Golgota gaat eindeloos verder: zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren zoon gaf opdat een ieder die in hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leeft (Johannes 3). Asiel voor alle mensen. Vluchtplek voor alle culturen. Voor alle opzettelijke en onopzettelijke overtreders. In alle landen, alle steden en dorpen. Breaking news: de hogepriester is gestorven.

Christus is de vervulling van Jozua 20. Buut vrij. Zo lief heeft God de wereld. Buut vrij; voor ‘de hele pot’.

Gemeente: wat betekent het evangelie van Jozua 20 voor ons? De kerk is de plek die leeft van die genade. Van de dood van de hogepriester. Soms hoor je van buitenstaanders of mensen die de kerk de rug toekeren: altijd maar weer die oordelen van die kerkmensen! Doen wij dat? Kan de gemeente dan een ‘asielplek’ zijn? Waarom oordelen wij elkaar of anderen, als wij toch leven van de dood van de hogepriester? Andersom is het ook: wat is het goed als de vrede van Jezus heerst; in onderlinge relaties, in het nemen van (soms lastige) besluiten. Daar gaat echte vrede vanuit. Laten we daarnaar streven.

In het laatste Bijbelboek staat deze prachtige tekst.

Hij heeft ons lief en heeft onze van onze zonden bevrijd door zijn bloed (Openbaring 1:6).

Hij, de lijdende Heer, is onze vrijstad, asielplek. Onze vrijheid ligt in zijn bloed. Bij wie kun je vluchten, bij wie ben je thuis, veilig? Wat is het gaaf om een plek te hebben om naartoe te kunnen. Wat fijn als er mensen zijn die je echt begrijpen en verder kunnen helpen. Wat is het goed om vrijuit te kunnen spreken; over ((on)opzettelijke) zonden, onze wonden en of/hoe het goed kan komen. God zegt allereerst: echte vrede krijg je als je mijn in mijn zoon gelooft. Als je leert vluchten naar hem. Ken je Jezus zo? Of zoek je recht en vergelding nog ergens anders? Ken je Jezus of zoek je je eigen weg om om te gaan met je tekorten?

Het antwoord op die vraag ligt in hetzelfde vers van Openbaring.  De zin over de vrijspraak die Jezus geeft, gaat verder:

en heeft ons tot priesters van God gemaakt.

Hoe ver gaat God! Op onze beurt worden wij tot priesters door deze Jezus (Zondag 12 Catechismus). Jezus’ dood geeft ons te leven, een uitweg. Die dood is zelfs zo krachtig dat mensen daardoor leren zeggen: kom hier, ik zal je niet langer doden, haten of dwars zitten. God transformeert asielsteden tot asielmensen; vluchtsteden tot ‘vluchtmensen’: mensen met open harten en uitgestoken handen. Het lied dat we zo zingen gaat daarover. Dat de gemeente van Jezus een schuilplaats is (LvdK 476:4). Zo wordt Jozua 20 dankzij onze Heer Jezus vervuld. Tot heling van onszelf. Tot zegen van de wereld. Tot eer van God.

—-

Voorbeeldliturgie

Welkom
Votum
Groet
Psalm 98: 1 en 2
De 10 woorden
GK 154:1a, 2v, 3m en 4a
Gebed
Kinderen naar voren: Mozes wordt geboren
Zingen: klein, klein kindje je leven loopt gevaar (bundel op toonhoogte)
Lezing: Jozua 20
Verkondiging: God is onze schuilplaats geworden.
1. Het evangelie van de vluchtsteden.
2. Leve het leven.
3. De dood van de hogepriester!
LvdK 476: 3 en 4
Dankgebed en voorbede, afgesloten door
GK 174:3
Kinderen komen terug en vertellen
Collecte
Psalm 147:1 en 4
Zegen
Verdere ontmoeting

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s