,,Zonder Christus is er geen kennis van de hel, of het nu om de hel van de godverlatenheid gaat, of om het ensemble van machten die zich tegen God verzetten. Om te weten wie zich tegen God verzet, is enige kennis nodig van God, en die kennis is enkel in Christus te vinden’’ (302).
Bovenstaande zinnen vormen de kern van Inferno. De ontdekking van de hel (2026) van Arnold Huijgen, hoogleraar Dogmatiek aan de Protestantse Theologische Universiteit. Ik wil in deze blog een paar leeservaringen en gedachten delen.
Deze blog heeft vier paragrafen:
- Het is nodig om over de hel te spreken.
- Een nieuwe inzet met betrekking tot de hel.
- Bedenkingen bij het lezen van Inferno.
- Mijn positie als het gaat om de hel. En hoe verder?
1 Het is nodig om over de hel te spreken.
Allereerst: ik ben dankbaar dat het boek Inferno er is. Huijgen wijst er in de inleiding op dat de hel veelvuldig voorkomt in wereldse uitspraken (klimaathel e.d.) terwijl de kerk over de hel zwijgt. Ondertussen verschuiven de panelen onder christenen. De belijdenis dat Jezus is neergedaald in de hel ligt onder vuur. Dit belijden zou on-Bijbels zijn. Alsof alles wat niet met zoveel woorden in de Bijbel staat (letterlijk) niet naar de Schrift zou zijn.
Vooral is te denken aan de ontwikkeling onder christenen waarin de hel wordt afgeschaft; iedereen wordt gered. Dit zogenaamde universalisme wint hard terrein.[i] Voor weer andere christenen wordt het juist een soort toetssteen of je ‘nog wel’ in de hel gelooft. Een ander existentieel punt is dat in onze omgeving telkens minder mensen in God geloven. Dit roept vragen op. Worsteling. Valt er iets te zeggen en, zo ja, wat? Bij dit alles draait het om het Godsbeeld (Inleiding Inferno). Dat is de essentie.
Hel-en-verdoemenis?
Ga er ondertussen maar aanstaan om over de hel te beginnen. In 2015 heb ik dat een paar keer gedaan. Dat was in de tijd van de helse terreurbeweging IS. Is er in Jezus’ naam iets te zeggen? Ik schreef indertijd De hel van veraf en dichtbij (Kerkblad OnderWeg) en IS en de jihad tegen het kwaad (Nederlands Dagblad).
Daarnaast kwam het onderwerp en paar keer voor in jeugddiensten. Jongeren ervaren ongemak. Is God eerlijk?[ii] En bij het houden van prekenseries loop je vanzelf tegen het onderwerp aan. Ezechiël 38 en 39 gaan erover dat God de kwade machten Gog en Magog de baas is.[iii] Deze hoofdstukken komen terug in Openbaring 20 waar het gaat over ‘de tweede dood; de vuurpoel’. En wie niet-selectief uit de evangeliën preekt komt de hel ook tegen. Juist bij Jezus. Temidden van zijn eigen dorpsgenoten steekt hij een heuse ‘hel-en-verdoemenis’ preek af (Matteüs 11).[iv] De sfeer zal er niet op vooruit zijn gegaan.
Bijbel
De Bijbel is geen ‘leuk boek’. Op allerlei manieren kun je daar onderuit willen of proberen te komen. Sommigen zeggen bijvoorbeeld dat dat Jezus niet over de hel spreekt maar over de Gehenna en dat die Gehenna iets heel anders is dan wat men doorgaans met hel bedoelt. Op zich heb je dan een punt. Maar vervolgens is het de vraag wat je daarmee wilt bereiken. Het voordeel van Inferno is dat je niet wegkomt met korte-bocht redeneringen over de hel. Huijgen legt uit welke termen en vertalingen er zoal zijn. Bijbels gezien kun je beter spreken van ‘het eeuwige vuur’ of ‘de eeuwige straf’ maar het woord ‘hel’ verdient toch de voorkeur (321). En de betekenis van Gehenna en vuur bij Matteüs bespreekt Huijgen in een aparte paragraaf (136-141).[v]

Inferno staat vol met de Bijbel en Bijbeluitleg. Op die manier wordt duidelijk dat wie op basis van enkele teksten of bepaalde vertalingen de hel aan de kant zet een probleem heeft – tenzij je niet zoveel ophebt met de Bijbel.
2. Een nieuwe inzet met betrekking tot de hel.
Volgens Huijgen leveren de bestaande modellen over hel teveel problemen op en is er een nieuwe inzet nodig. Die inzet komt aan bod in Hoofdstuk 5 Christus’ nederdaling ter helle. Dit hoofdstuk is de kern van het boek. De drie bestaande modellen zijn daarvoor besproken. Het gaat om deze drie modellen:
- Eeuwige straf (Augustiniaanse traditie).
- Definitieve vernietiging (Annihilationisme).
- Reiniging als fase (loutering).
Met zevenmijlslaarzen beschrijft Huijgen theologische en kerkelijke ontwikkelingen van de diverse modellen. Bijzonder is daarbij dat hij evengoed oog heeft voor allerlei details.
Bijbel en cultuur
Verfrissend is dat ieder hoofdstuk uitgebreid stilstaat bij die Bijbelteksten die voor de besproken modellen op de hel van belang zijn. Vandaag de dag is ervaring, het geleefde geloof, populair onder christenen.[vi] Ook is er veel interesse voor culturele aspecten die betrekking hebben op of meekomen met het geloof.[vii] Dat is prima en nodig. Ondertussen is het wel zaak om goed naar de Bijbel te blijven luisteren en daarin blinkt Inferno uit. Ook voor de moeilijkste teksten zoals 1 Petrus 3:19 en 20 loopt Huijgen niet weg. Ze komen uitgebreid aan bod (283-289). Inferno is een buitengewoon rijk boek.
Duidelijk wordt dat voor Huijgen het (eigen) gezag van Bijbel een centrale plek heeft, waarbij bijbelse veelvormigheid van belang is (21). Tegelijk is er in ieder hoofdstuk aandacht voor de cultuur waarin wij leven. De context doet ertoe. Een voorbeeld. Bij de bespreking van de Definitieve vernietiging (Annihilationisme) brengt Huijgen het nihilisme van Nietzsche in (163-169). Huijgen concludeert dat het model van de Definitieve vernietiging een oppervlakkig begrip van het niets heeft (169). Vanuit de Bijbel en vanuit de cultuur krijgen voorstanders van de bekende drie modellen veel huiswerk mee.
Sleutels van de hel
Huijgen staat in de traditie van Calvijn (271-276). Bij de Reformatie vindt de ‘moeilijk te onderschatten’ theologische verschuiving plaats ten opzichte van het denken in de Vroege Kerk en in de Middeleeuwen. In de Vroege Kerk betekende Jezus’ neerdalen in de hel dat hij de rechtvaardigen bevrijdde en zijn overwinning proclameerde.[viii]

De Reformatie kijkt daar met andere ogen naar. ‘Christus daalde aan deze kant van het graf, in het huidige leven, neer ter helle’ (275). Huijgen denkt in deze lijn. Dat wordt duidelijk in de manier waarop hij de hel ook verbindt met het leven hier-en-nu, met name in hoofdstuk zes en zeven van Inferno. Huijgen past daar toe vanuit het Johannes-evangelie. Dat evangelie lijkt, op het eerste gezicht, niet over de hel te spreken. Maar het ligt anders volgens Huijgen: wie gelooft heeft eeuwig leven en wie niet geloofd is al veroordeeld (Johannes 3:16-18). Dat is hier-en-nu. In hoofdstuk zes fungeert de hel als soort negatief. Jezus’ zelfopenbaring in zijn Ik ben uitspraken houden je bij het oordeel weg.
Jezus’ neerdalen in de hel maakt alles anders. Een paar citaten uit Inferno:
Door Christus’ nederdaling naar het dodenrijk is Hades … radicaal van karakter veranderd. Zijn opstanding betekent dat Hij heerst over Hades en dood, waar Hij de sleutels van bezit (Op.1:18)…. Door Jezus’ plaatsvervangende weg is een nieuwe realiteit ontstaan, waar van geen Hades … sprake kan zijn. Christus’ nederdaling betekent dus het einde van Hades in traditionele zin. Wat overblijft is: in Christus en dus bij Christus zijn, of ver bij Hem vandaan zijn (307).
Christus’ nederdaling heeft de hel definitief van karakter veranderd: de hel is datgene waarvan Hij bevrijdt…. De hel is door Christus bepaald (315).
Christus’ weg legt bloot wat de hel feitelijk is. De ontdekking van de hel vindt plaats in het licht van Christus’ opstanding en overwinning (372).
Hoofdstuk vijf is een prachtig hoofdstuk. Toen ik het las moest ik denken aan de zondekennis. Meestal – of in eerste instantie – wil je het liever niet over zonde hebben. Maar het leren kennen van zonde heeft een bevrijdend karakter. Denk aan boete-Psalm 51 waarin schuld wordt beleden en gevraagd wordt om een totaal nieuw bestaan.[ix] Lees dan verder. Het gebed wordt verhoord. In Psalm 52 is de zondaar van Psalm 51 aan het woord als een bevrijd mens die anderen op Gods goede pad wijst.[x] Zonde leer je alleen echt kennen in Jezus die tot zonde gemaakt is (2 Korintiërs 5:21).[xi] Je bevrijder leert je dat (Zondag 2 Catechismus).
Op deze manier spreekt Huijgen over de hel en dat is een enorme prestatie. Nergens wordt het goedkoop en toch roept Inferno geen angst op. Hierin herken je de diepe Bijbelse grondtoon van liefde die angst uitsluit (1 Johannes 4:18). Dat de hel geen projectiescherm is of wordt van menselijke angsten (315) kan alleen vanwege de concentratie op Christus.
Geen systeem
Theologisch staat Huijgen in de buurt van Barth die sterk Christocentrisch denkt (227-229). Maar Huijgen gaat niet zo ver dat hij met Barth zegt dat verloren gaan ‘een onmogelijke mogelijkheid’ is. Dat blijkt uit de meest verstrekkende zin van Inferno:
De hel is uitgesloten zijn van het leven van je eigen leven. Dat deze mogelijkheid geen fictieve, maar een reëele is, blijkt uit Christus’ weg. Hij is in de duisternis van het niets geweest (359).
Bemoedigend is het oecumenische perspectief in de bespreking van de visie van Joseph Ratzinger, paus Benedictus XVI, op het vagevuur (229-231). Veelzeggend is het citaat van de mystica Juliana van Norwich over Gods overwinnende goedheid (249). All shall be well – alles komt goed – wordt door deze mystica niet in een dichtgetimmerd systeem gezet (Universalisme). Ze blijft worstelen met het kwaad. Zo lees ik Huijgens boek. Hij wil wegblijven bij een systeem. Huijgen bespreekt diverse standpunten respectvol en kiest duidelijk positie. Niet alleen bij de drie verschillende modellen met betrekking tot de hel. Maar ook voor wat betreft denkers als C.S. Lewis. Lewis’ bekende boek De grote scheiding brengt veel inspirerends mee maar kent ook schaduwkanten vanwege de grote nadruk op de menselijke keuze (328-333).
Huijgen waakt ervoor al te sterke conclusies te trekken omdat het oordeel aan God in Christus is en het Nieuwe Testament voorgaat in uiterste terughoudendheid (322-323). Wij zijn maar pelgrims die onderweg zijn en zo is onze kennis (Thomas, 369).
Godsleer en modellen van redding
Ten diepste gaan vragen over de hel over wie God is (Inleiding). In Inferno is er dan ook aandacht voor de Godsleer. Dat merk je met name bij de vraag naar Gods eenheid op het moment van Godverlatenheid (Matteüs 27:46), de hel.[xii] Huijgen overtuigt door, enerzijds, recht te doen de existentiële eenzaamheid die Christus ervaart en, anderzijds, te blijven bij Gods eenheid en Gods drie-eenheid (302-304). Dit evenwichtig spreken is extra belangrijk omdat het vandaag rommelt in de Godsleer.[xiii]
In het verlengde van de Godsleer komt mee hoe je spreekt over redding of heil. Vandaag de dag staan verzoeningsmodellen onder kritiek.[xiv] Of wordt er soms heel eenzijdig gekozen; wel Christus Victor maar geen Verzoener van zonden. Inferno is Bijbels compleet. Bijvoorbeeld: Christus is overwinnaar (Christus Victor), hij neemt onze plaats in (Plaatsbekleding) en het gaat evengoed over verzoening.
3 Bedenkingen bij het lezen van Inferno.
Eerder schreef Huijgen kort over de hel in Waarom de wereld een hel nodig heeft (2024). Ik wist eerlijk gezegd niet zo goed wat ik met dat boekje aan moest. Het schrijven van toen had een vervolg nodig. Dat is er met Inferno gekomen. De vraag is wat Inferno brengt en wat dat betekent.
Aan de ene kant is er winst. Dat heb ik hierboven verwoord. Aan de andere kant denk ik dat er verdere ontwikkeling nodig en mogelijk is. Daarmee bedoel ik niet dat je ‘het plaatje rond krijgt’. Waar het me om gaat is dat ik soms onduidelijkheid of incongruentie ervaar bij Inferno. Alsof Inferno nog teveel verslag doet van het proces van de zoektocht naar de hel en het nog niet echt uitgekristalliseerd is. Waar staat Huijgen, wat wil hij precies zeggen en tegen wie? Ik licht hieronder toe wat ik hiermee bedoel.
Model en afbeelding
Om te beginnen geeft Inferno zelf aanleiding om te denken dat het beeld niet helemaal duidelijk is. Zo zegt Huijgen enerzijds dat de drie bekende modellen over de hel dood zijn gelopen (315) en anderzijds dat zijn boek een herijking van vooral de augustiniaanse traditie biedt (370).
Wat mij aan het denken zette is de afbeelding dit op het boek Inferno staat. Huijgen kiest duidelijk voor de visie van de Reformatie met betrekking tot Christus’ neerdalen in de hel en dat heeft consequenties voor heel zijn boek (zie hierboven). Tegelijk prijkt op het boek Inferno de zogenaamde middeleeuwse Maestà van Duccio di Buoninsegna. Dit is een prachtige afbeelding waarin de visie van Jezus’ neerdalen in de hel van vóór de Reformatie wordt afgebeeld. Het is duidelijk welke functie de Maestà heeft (299-302). En Huijgen benoemt ook de blijvende waarde van de uitleg van de Vroege Kerk van Jezus’ neerdalen (311, 312).
Toch blijft het apart. Zo’n afbeelding trekt nu eenmaal de aandacht. Huijgen wijst erop dat kunst beter onder woorden brengt dan theologen dat kunnen (302). In dat licht verwacht je een andere afbeelding. Meer hedendaags. Want de hel gaat ook over het heden, zie de laatste hoofdstukken van het boek. Dat is nu net de vinding van Huijgen. Ik bedoel dit punt niet als kritiek op een afbeelding. Het gaat om de vraag wat Inferno wil zeggen. Het lijkt erop alsof het nog wat door elkaar heenloopt. Dat lijkt me in het geheel geen probleem. Het is wel goed om dat aan te geven.
Titel en ondertitel
De ondertitel van Inferno bevestigt onhelderheid. Wat bedoelt Huijgen met De ontdekking van de hel? Is het zijn nieuwe inzet; zijn ontdekking? Of gaat het om Christus die ons laat zien dat de hel er is en wat hel is? Gaat het om beide?
Ik vind de ondertitel merkwaardig en niet-passend. Harry Mulisch schreef De ontdekking van de hemel (1992). Zo’n titel verwacht je in de literatuur. Cultureel gezien doet dat het goed. Het is ook nog eens een mooie filmtitel die tot de verbeelding spreekt. Gezien de toch wel bloedserieuze inhoud van Inferno verwacht je de ondertitel niet die Huijgen eraan geeft. Ik heb al lezend niet kunnen achterhalen waarom hij daarvoor koos. Inhoudelijk had het gepast om te zeggen: Christus verandert het karakter van de hel. Of iets dergelijks. Maar dat klinkt minder spannend of aantrekkelijk.
Het lijkt erop alsof Huijgen op twee gedachten hinkt. Enerzijds gaat het erom de hedendaagse cultuur te willen aanspreken (filosofie, Netflix-series etc.). Daarbij past een pakkende titel; De ontdekking van de hel. Anderzijds wil hij gelovigen van allerlei snit erbij betrekken (hoofdstuk zes staat vol van de Catechismus). Daarbij past een meer klassieke inzet; Inferno. Op zich zit er nu voor iedereen van alles in. Maar een duidelijke focus had het geheel sterker gemaakt. Daaraan dacht ik ook bij het lezen van hoofdstuk zes. Na het prachtige hoofdstuk vijf vond ik dat hoofdstuk een tegenvaller. Het lijkt een soort meditatieve uitwerking van hoofdstuk vijf.[xv] Op zich prachtig. Maar de kracht van Inferno ligt in de eerdere hoofdstukken. Ik had een verdere doordenking verwacht van wat in die hoofdstukken aan bod kwam. Het lijkt erop alsof Huijgen wat voorzichtiger, meer zoekend wordt en daarin terugvalt op het ‘oude, vertrouwde’.
Zevenmijlslaarzen en de (geloofs)werkelijkheid
Inferno staat vol van theologische en kerkelijke ontwikkelingen met betrekking tot visies op de hel. Het intrigeert. Tegelijk vraag ik me af: wat is de geleefde werkelijkheid en het geleefde geloof dat hierin allemaal meekomt? Dat kun je niet in een enkele alinea vatten. Twee voorbeelden hiervan.
In hoofdstuk drie bespreekt Huijgen de dreiging van het verloren gaan vanuit het Oude Testament. Hij zegt: ‘In het dodenrijk is het contact met de levende God afgesneden’ (133). Terecht wordt opgemerkt dat dit anders is dan de volken om Israël heen waar de geest van een dode met goden verbonden bleef – alsof het leven min of meer verder gaat (133). Huijgen nuanceert dat beeld van het Oude Testament ook wel en noemt bijvoorbeeld Psalm 73 (135).[xvi] Psalm 49 noemt Huijgen in dit verband niet. Dat opvallende lied sluit een reek bijzonder Psalmen van de Korachieten af.[xvii] Psalm 49 spreekt over het loskopen uit de macht van de dood (cf. Marcus 10:45).[xviii] God is ook in het dodenrijk (Psalm 139).[xix] Dat is onder andere de spanning van ‘dodenklaag-Psalm’ 88.[xx] De dichter heeft een Bijna-Dood-Ervaring (BDE). De vraag is wat de dichter precies van God verlangt. Israël kent Henoch die de dans van de repeterende dodenlijst ontspringt (Genesis 5:24).[xxi] Aartsvader Abraham kreeg zijn kind als het ware uit de dood terug (Genesis 22, Hebreeën 11:19).[xxii] Heel Israël bestaat bij de gratie van het opgewekt zijn uit de dood van het slavenhuis van Egypte (Exodus). Ik denk bij dit alles aan Jezus’ opmerkelijke antwoord aan de Sadduceeën. Voor hen houdt het bij de dood op. Keurig ‘zoals het hoort’. Je zou verwachten dat Jezus aankomt met de latere profetieën zoals die van Daniël. Want daar gaat het over opstanding uit de dood. Het bijzondere is dat Jezus spreekt over good old Mozes (Marcus 12:18-27).[xxiii] Dat moet echt een schok hebben gegeven. Blijkbaar zeggen de boeken van Mozes dat ‘God geen God van doden is maar van levenden’, en dat een ander geloof een vreselijke dwaling is (Marcus 12:27). Gods mensen in de tijd van het Oude Testament zijn inderdaad niet als de volken om hen heen. Ze zijn anders en hebben meer te verwachten en hopen. Latere profetie over de opstanding komt – hoe bijzonder ook – niet uit de lucht vallen. Deze dingen laten de lijnen die Huijgen trekt wel staan. Tegelijk is de vraag te stellen wat er allemaal qua leven, geloof(svoorstelling) meekomt. Dat is een wereld op zich.
Iets dergelijks bedacht ik bij het lezen over de uitleg die de Vroege Kerk geeft aan Jezus’ neerdalen in de hel. De Vroege Kerk stond onder druk. Is het christelijke geloof een nieuwkomer op de markt met allemaal oude, respectabele tradities? Komt de kerk met een ‘nieuwe god’? De Vroege Kerk laat zien dat God in Jezus ook de God is van hen die ons zijn voorgegaan. Ook zij worden bevrijd door Jezus. De context kleurt je Bijbellezen. Een boek als Inferno had na de val van de Muur (1989) niet geschreven kunnen worden. Toen was er alom optimisme. Nu zijn er tal van crises met bijbehorende onzekerheden (hel). Mensen gaan op zoek naar wat vast en zeker is (geloof). Dan kun je lezen en schrijven zoals Huijgen doet. Er is daarom meer te zeggen dan dat de exegese van de Vroege Kerk niet overtuigend genoeg is. Er komt een wereld mee in je verstaan en lezen.
Geleefd geloof
Het laatste voorbeeld uit deze paragraaf gaat ook over de werkelijkheid van het geleefde geloof. Maar dan op een andere manier.
Het is duidelijk dat Huijgen niks moet hebben van de ervaringsgerichte aanpak van iemand als Reinier Sonneveld.[xxiv] Sonneveld schreef het boek Het einde van de hel (2025). Hij vertelt van een Bijna-Dood-Ervaring (BDE) die hij had en die, zo blijkt, in alle culturen en geloven voorkomt. Sonneveld neemt deze ervaringen serieus en gaat na of de uitkomsten daarvan overeenkomen met wat de Bijbel zegt. Huijgen werkt heel anders. Hij begint bij de Bijbel en richt zich steeds op Christus. Dat verwacht je van een gereformeerd theoloog. Maar Huijgen is in het afwijzen van een ervaringsgerichte werkwijze erg kort en resoluut. Zit dit in zijn irritatiezone? Ervaring doet ertoe. Zeker bij zo’n existentieel onderwerp. Ervaring kleurt je lezen en begrijpen. Inferno laat zich lezen als een sterk discursief boek. De hel is een zwart gat. Uit een zwart gat ontsnapt niets. Horen en zien vergaan je. Hier zit mijn grootste bedenking ten aanzien van Inferno. Kun je schrijven over de hel zoals Huijgen dat doet?
Ik moest bij het lezen van Inferno denken aan C.S. Lewis. Lewis schreef in 1940 The problem of pain over lijden.Daarin gebruikt hij het bekend geworden beeld van Gods megafoon. God gebruikt lijden om ons wakker te krijgen. Twintig jaar later schrijft Lewis opnieuw een boek over lijden: A grief observed. Dit boek staat, qua ‘antwoorden’, niet zover af van The problem of pain. Toch is het een ander boek. In dit boek is iemand aan het woord die lijdt. Lewis is veel van iemand gaan houden en verloor haar aan de dood. Het is alsof hij zich met Job realiseert waarover lijden gaat; waarover leven gaat (Job 42:5).
Terug naar het onderwerp van deze blog. Hoe spreek je over hel? Aan wie denk je? Waaraan denk je? Hoe ziet je leven eruit en wat maak(te) je mee? Deze dingen horen bij dit existentiële onderwerp. Al helemaal als je de hel ook betrekt op het heden. Het vraagt om vervulling met en leiding door Gods Geest om dan te spreken. En ook wijsheid om soms te zwijgen. De weg te wijzen en te gaan – ook als die weg er niet is.
4 Reikwijdte van Gods heil.
Ik ga deze blog afronden. Daarvoor wil ik nog twee dingen inbrengen. Allereerst, ultrakort, waar ik in het geloof sta met betrekking tot de hel. Daarna de vraag hoe verder te gaan met dit onderwerp.
De hel blijft voor een christen dicht
De meeste verstrekkende zin uit Inferno gaat over de reëele mogelijkheid van de hel omdat Christus die weg is gegaan (zie hierboven). Ik zou daar tegenover eenzelfde principe willen neerzetten. Terecht komen in de hel is onmogelijk voor een mens omdat Christus die weg is gegaan. God is daar in Jezus geweest. Zoals een mens niet op Gods en Christus’ troon (Openbaring 22:1) mag of mag zitten zo geldt het ook voor de hel. Jezus is tot zonde en tot vloek gemaakt (2 Korintiërs 5:21, Galaten 3:13 en 14). ‘De hel blijft voor een christen dicht’ (Gereformeerd Kerkboek). Dit mag je in Jezus’ naam tegen ieder mens zeggen. All shall be well (Juliana van Norwich). Dit zijn twee principes naast elkaar. Ja, die sluiten elkaar uit. Leg dat maar in Jezus’ handen. De handen van onze rechter en redder. Onze goede Heer en heiland die volkomen trouw en betrouwbaar is. Hierbij wil er ervoor waken om alleen in de lijn van Augustinus te denken. Dat is voor ons, westerse mensen, bijna onmogelijk maar toch moet het. Gaat het over Jezus’ oordeel dan gaat het ook over tijdperken, culturen en volken (Matteüs 11, Ezechiël 25vv[xxv]). Allereerst zo, denk ik. Niet te individualistisch. Wij kunnen wel willen zwijgen over ons slavernijverleden. Maar eens gaan de boeken open. Enzovoort.
De meest indrukwekkende hoofdstukken uit de Bijbel maken duidelijk dat er een transformatie plaatsvindt. Denk bijvoorbeeld aan 1 Korintiërs 15 over Jezus’ opstanding. Zijn dood en opstanding zetten alles in een ander licht en ontmaskert tegenstand. Bij tegenstand is niet aan mensen denken. Het zijn krachten en machten. Die worden vernietigd en komen terecht in de Tweede Dood (1 Korintiërs 15, Openbaring 20). Zijn er dan geen personen in de hel? De Bijbel ziet Zonde en Dood als personen.[xxvi] Met hen en hun ‘trawanten’, zoals de duivel, het beest en hun soortgenoten, loopt het niet goed af. Goddank valt een mens, hoe slecht en zondig ook, niet samen met Zonde en/of Dood. Dat is niet dankzij de mens want die is tot alles in staat. God heeft een rem op Zonde en Dood gezet. Ook de grootste machten is Hij de baas. Golgota en Pasen laten dat zien. Na de vuurpoel van de Tweede Dood (Openbaring 20) wordt er toch nog onderscheid gemaakt. Niet ieder komt het hemelse Jeruzalem in en ziet God (Openbaring 21 en 22). En toch is er voor iedereen hoop. All shall be well.
Laat de kerk spreken
Tot slot van deze blog nog het volgende. In 2018/2019 stonden we stil bij vierhonderdjaar Dordtse Synode. Er is op die synode veel langs elkaar heen gesproken, de Remonstranten is onrecht aangedaan en er is op een belangrijk niveau vastgehouden aan het spreken over God.[xxvii] Voor velen staan dilemma’s van toen veraf. Maar indertijd deed het er wel toe: waarin ligt mijn behoud en dat van mijn kinderen? In een tijd van veel kindersterfte sprak Dordt een pastoraal bewogen woord.
Voor onze tijd gaat het over de vraag naar Gods heil en de reikwijdte daarvan. Laat de kerk daarover spreken. Op een ‘negatieve’ manier gaat het boek van Huijgen daarover. En dat biedt veel. Op een ‘positieve’ manier bespreekt Richard J. Mouw het onderwerp in Divine Generosity. The scope of Salvation in Reformed Theology (Eerdmans, 2024). Het sterke van Mouws boek is dat je de werkelijkheid van Matteüs 13:24-30 goed proeft. De werkelijkheid is die van de gelijkenis van de akker en het zaad.[xxviii] De werkers willen het onkruid eruit trekken maar de eigenaar verbiedt het. De eigenaar voorziet dat de werkers met het onkruid ook het graan zullen weghalen. Zo is het in het hier-en-nu. In ons leven loopt er teveel door elkaar dat wij niet uit elkaar kunnen halen. Wat als de kerk ervoor zorgt dat iemand niet meer gelooft? Wat als je daar zelf een aandeel in hebt? Wat als een ‘christelijke cultuur’ de boel verziekt?
Hoop
Jezus laat zien al onze zonden en wonden te kennen. Hij is begonnen aan zijn project en zal dat voltooien op zijn dag. Huijgen haalt een paar keer 2 Samuël 24:14 aan. Geconfronteerd met oordeel spreekt David uit dat hij beter in de handen van de HEER kan vallen dan in de handen van mensen. In nieuwtestamentisch licht: wij vallen in de handen van de Zoon van God die ook de Mensenzoon is. David kreeg het betere. In Jezus wordt het beste gegeven. Dat heeft God voor het laatst bewaard (Johannes 2:10). Dat geeft hoop en moed.
Dordrecht, 12 juni 2026
[i] Zie voetnoot 229 (pg.223) van Inferno.
[ii] Zie Is God eerlijk? Themadienst 1 Petrus 2:1-10.
[iii] Zie God vernietigt het kwaad. Preek Ezechiël 38 en 39.
[iv] Zie Weinig verhullende Jezus van Nazaret. Preek Matteüs 11.
[v] Ook de betekenis van ‘eeuwig’ komt een paar keer naar voren in Inferno. Ds. Henk de Jong noemde het ‘taalvervuiling’ dat sommigen wel onbekommerd over een eeuwig leven spreken maar vervolgens allerlei dingen naar voren brengen die zouden betekenen dat het ‘eeuwig’ in ‘eeuwig vuur’ (eeuwige straf) iets anders betekent. Zie mijn artikel Hel van veraf en dichtbij.
[vi] Zie mijn longread Ervaren heil naar aanleiding Stefan Paas’ boek Vrede op aarde (2023). Paas spreekt in zijn boek ook over de hel. Kan het verschil in visie op de hel te maken hebben met de plek van zonde? Huijgen vraagt aandacht voor het radicale karakter van zonde (238), Paas spreekt over de ervaring van een goede schepping (zie mijn longread-blog).
[vii] Zie mijn bespreking van Echo’s van het goede nieuws van Geurt Henk van Kooten inzake de verhouding cultuur en Bijbel.
[viii] Zie de preek Alleen GOD WEET of er hoop is. Goede Vrijdag met Ezechiël en Matteüs.
[ix] Zie preek Psalm 51.
[x] Zie preek Psalm 52.
[xi] Zie preek 2 Korintiërs 5:21.
[xii] Zie preek Goede Vrijdag over Matteüs 27:46.
[xiii] Zelfs een ketterij duikt vandaag op (nl. de ketterij dat God de Zoon eeuwig onderworpen is aan God de Vader, het zogenaamde ESS). Zie mijn blog over de NashvilleVerklaring en zie preek over Gods Drie-eenheid naar aanleiding van de strikvraag over het belangrijkste gebod (Marcus 12).
[xiv] Zie voetnoot vi.
[xv] Johannes fungeert in hoofdstuk zes als een soort (foto)negatief voor de hel. Huijgen kiest voor Johannes omdat daar geen hel lijkt te zijn maar het, ondertussen, juist scherp ligt; wie gelooft heeft eeuwig leven en wie niet gelooft is al veroordeeld. Mij komt dit niet over als een bijzondere vondst zoals Huijgen dat presenteert. Het eeuwige leven (Johannes) is wat bij de andere evangelisten het Koninkrijk is. Matteüs 25 eindigt met uit- en insluiting en heeft het expliciet over de hel. Dat blijkt te gaan over Jezus’ kruisdood (zo leest Huijgen zelf ook). Als je dan met de Reformatie zegt dat neerdalen in de hel (Matteüs 27:46) gaat over wat op aarde gebeurt (zie citaat in deze blog) kun je ook het evangelie van Matteüs gebruiken voor de overweging wat het betekent om weg te blijven uit de hel (bv de Bergrede).
[xvi] Zie preek Psalm 73.
[xvii] Zie korte inleiding prekenserie Psalm 42 tm 49.
[xviii] Zie preek Psalm 49. En zie preek Marcus 12:13-17 waarin Marcus 10:45 terugkomt.
[xix] Huijgen laat in het midden of dat bemoedigend of bedreigend is. In het kader van het lied is het een troost (ook al kan die troost benauwen, in eerste instantie).
[xx] Zie preek Psalm 88.
[xxi] Dit is precies wat Huijgen zegt over redding; aan het verderf ontheven worden (157).
[xxii] Zie preek Genesis 22. En zie preek Het lam van God (Johannes 1:29).
[xxiii] Zie No more tears in Heaven. Preek Marcus 12:18-27.
[xxiv] Dat blijkt uit Inferno en uit het interview met Huijgen in het Nederlands Dagblad.
[xxv] Zie Jezus Heer van de volken. Preek Ezechiël 25 en verdere.
[xxvi] Zie Ook de Dood wordt overwonnen. Preek Matteüs 9.
[xxvii] Zie mijn artikel De relevantie van de Dordtse Leerregels. OnderWeg 2019. Zie ook Gods bevrijdende keuze. Preek Dordtse Leerregels.
[xxviii] Zie preek Matteus 13:24-30.